
Slager keurt eigen vlees: hoe de Staat DRZ gebruikt als controleur van BPM-taxaties

Arnhem, 2 november 2026
De Staat heeft bij de Hoge Raad erkend dat Domeinen Roerende Zaken (DRZ), de dienst die BPM-taxatierapporten van importeurs hertaxeert, juridisch niet van de Belastingdienst te onderscheiden is. De advocaat-generaal noemt de hertaxatie onderdeel van de belastingheffing zelf, dus uitoefening van openbaar gezag. Dat staat in de conclusie van A-G Drijber van 23 oktober 2026 in de zaak van een taxatiebedrijf tegen de Staat over de aanbesteding van die hertaxaties.
Interne stukken van het Ministerie van Financiën, in 2022 en 2023 openbaar gemaakt na Wob- en Woo-verzoeken, laten zien hoe die constructie is ontstaan. In november 2013 koos de Belastingdienst voor DRZ om een kort geding over de aanbestedingsplicht van tafel te krijgen. In dezelfde notitie werd de verdediging al klaargelegd voor het moment dat iemand de onafhankelijkheid van DRZ aan de belastingrechter zou voorleggen.
De optelsom: wie een BPM-aangifte doet op basis van een taxatierapport, wordt gecontroleerd door de partij die de naheffing oplegt, volgens een methode die de inspecteur zelf heeft voorgeschreven en die afwijkt van de wettelijke taxatiemethode waaraan de aangever gebonden is. Stichting ROTA en Gerd Schippers hebben elk een klacht lopen bij de Europese Commissie (DG TAXUD). In beide dossiers wordt de Commissie bijgewerkt met de conclusie en de onderliggende stukken.
2013: een kort geding en een strategie om het van tafel te krijgen
Tot 1 december 2013 liet de Belastingdienst hertaxaties uitvoeren door twee marktpartijen. Een derde bedrijf dagvaardde de Staat in kort geding, zitting 28 november 2013, omdat die opdracht nooit Europees was aanbesteed.
Een notitie aan de staatssecretaris van 20 november 2013, gemarkeerd “SPOED ivm juridische procedure”, beschrijft de afweging. De landsadvocaat had een pleitbaar standpunt gevonden om niet aan te besteden, maar dat standpunt was intern nooit eerder ingenomen en er was geen jurisprudentie. Het risico werd benoemd dat de voorzieningenrechter de hertaxaties zou verbieden en dat zo’n uitspraak de publiciteit zou halen.
De gekozen oplossing staat er letterlijk: een strategie om het kort geding van tafel te krijgen. De Belastingdienst zou DRZ aanwijzen als hertaxateur, want dan is sprake van hertaxaties in eigen beheer en vervalt de grondslag voor een gebod tot aanbesteding. Per 1 december 2013 ging DRZ aan de slag, als pilot.
Dezelfde notitie kijkt vooruit naar de belastingrechter. Als iemand de onafhankelijkheid van DRZ als taxateur ter discussie stelt, zal het ministerie naar analogie van de WOZ-jurisprudentie betogen dat het rapport toch als bewijs mag dienen. De notitie noemt het DRZ-rapport daarbij zelf “bewijsvoering door de inspecteur”. Dat is precies wat het is.
2014: het convenant en de instructies aan DRZ
Op 1 april 2014 legden Belastingdienst/Belastingen en DRZ hun afspraken vast in het Convenant Belastingen en Dienst Roerende Zaken. Het is een document tussen twee onderdelen van hetzelfde ministerie, ondertekend door de directeur DRZ en de algemeen directeur Belastingen.
| Bepaling | Inhoud |
|---|---|
| Art. 1 lid 1 | Opdracht: vaststellen of de aangegeven waarde juist is; bij significante afwijking nieuwe waarde vaststellen en ambtshalve corrigeren, of een bedrijfscontrole starten |
| Art. 1 lid 2 | Jaarlijkse lumpsum, gebaseerd op 2.000 hertaxaties per jaar |
| Art. 1 lid 4 | Doorlooptijd maximaal 15 werkdagen |
| Art. 2 sub g | Rapportage aangepast zodat geen andere logo’s dan die van DRZ zichtbaar zijn |
| Art. 3 | Belastingen vergoedt € 1.164.700 per jaar, geïndexeerd volgens de Handleiding Overheidstarieven 2014 (circa € 582 per hertaxatie) |
| Art. 4 lid 3 sub a | Bijstelling van het convenant bij aanpassing van de controle- of behandelstrategie van Belastingen |
| Bijlage I | 13,5 fte, waarvan 8 fte hertaxatie in schaal 7; € 60.000 per jaar aan softwarelicenties |
De opdracht is dus geen waardebepaling maar controle en correctie. De hertaxateur stelt de nieuwe waarde vast die de inspecteur naheft. De betaling is een vast jaarbedrag, niet per afgekeurd rapport; die verdenking is bij DRZ niet aan de orde.
De begeleidende notitie van 21 mei 2014 (BLKB 2014/823) noemt als eerste argument dat met de keuze voor DRZ “het kort geding werd voorkomen”. Daarna volgen de inhoudelijke argumenten: DRZ biedt als overheidsorgaan neutraliteit, er worden minder bezwaar- en beroepsprocedures verwacht, en de lumpsum is goedkoper dan de commerciële taxateurs.
Vanaf juli 2016 werkt DRZ volgens een Afsprakendocument BPM, een groeidocument met instructies van de Belastingdienst. Daarin staat onder meer:
- de handelsinkoopwaarde wordt bepaald op een berekend gemiddelde van referentievoertuigen met handelsmarge, uitdrukkelijk niet op basis van de koerslijst;
- als geen vergelijkbaar voertuig te vinden is, mag een “fantoomvoertuig” van een ander merk worden gebruikt;
- er wordt geen ATP-tabel gebruikt voor gebruikssporen naar leeftijd en kilometerstand;
- DRZ behandelt alle dossiers, ook als ze incompleet zijn.
De aangever is bij een taxatierapport gebonden aan de wettelijke methode: koerslijstwaarde in onbeschadigde staat, verminderd met schade. De hertaxateur van de inspecteur werkt volgens een andere methode, die de inspecteur zelf heeft opgeschreven.
2026: de Staat wint door te erkennen wat DRZ is
Het taxatiebedrijf verloor bij de rechtbank Den Haag (16 augustus 2023) en het hof Den Haag (15 juli 2025) en ging in cassatie. Op 23 oktober 2026 nam advocaat-generaal Drijber zijn conclusie, gepubliceerd op 29 oktober 2026. Hij adviseert de Hoge Raad het beroep te verwerpen. Een arrest wordt in 2027 verwacht.
De redenering is eenvoudig. Aanbestedingsregels gelden alleen voor een overheidsopdracht, en dat vereist een in rechte afdwingbare overeenkomst tussen twee juridisch onderscheiden partijen. BD en DRZ zijn allebei onzelfstandige onderdelen van het Ministerie van Financiën, in dezelfde hiërarchische keten, en handelen in naam van dezelfde bewindspersoon. Het convenant is daarom geen overeenkomst maar inbesteding. Dat DRZ een eigen KvK-inschrijving heeft, naar buiten optreedt en door BD wordt betaald, verandert daar niets aan.
De Staat heeft dit standpunt zelf ingenomen en gewonnen. Drie passages uit de conclusie zijn voor de BPM-praktijk van belang:
- Belastingheffing is uitoefening van openbaar gezag en dus een niet-economische dienst van algemeen belang. Dat ten behoeve van de heffing taxaties worden verricht die een marktpartij ook zou kunnen doen, wijzigt daaraan niets (nr. 4.13).
- DRZ en BD ressorteren onder hetzelfde ministerie en maken deel uit van dezelfde hiërarchische keten; er is geen rechtens relevant onderscheid tussen de twee diensten (nr. 5.14).
- DRZ onderscheidt zich van marktpartijen juist doordat het onderdeel is van het Ministerie van Financiën en geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft (nr. 5.22).
Opvallend is nr. 5.21. Het bedrijf had betoogd dat de Staat met een truc de aanbestedingsplicht ontweek door het werk bij een andere dienst van hetzelfde ministerie onder te brengen. De A-G wijst dat af: het is niet in feitelijke instanties aangevoerd, en hij ziet niet in dat van een truc sprake zou zijn. De notitie van 20 november 2013 beschrijft die strategie met zoveel woorden. Voor de aanbestedingsvraag maakt dat juridisch geen verschil, want inbesteden mag altijd. Voor de vraag wat een DRZ-rapport waard is als bewijs tegen een aangever, maakt het alles uit.
De Staat heeft in dertien jaar twee verhalen verteld over dezelfde dienst. In 2014 bood DRZ “als overheidsorgaan neutraliteit” en moest de keuze het aantal procedures verminderen. In 2026 is DRZ niet te onderscheiden van de inspecteur en onderdeel van de heffing. Beide verhalen dienen hetzelfde doel: het rapport van de Belastingdienst laten prevaleren boven dat van de aangever.
Wat dit betekent voor de aangever met een taxatierapport
Een DRZ-hertaxatie is een partijtaxatie van de inspecteur. Niet omdat wij dat vinden, maar omdat het Ministerie van Financiën het in 2013 zo omschreef en de Staat het in 2026 bij de Hoge Raad heeft bevestigd. Een rapport van de heffende partij kan geen onafhankelijke toets zijn van het rapport van de aangever.
Dat heeft gevolgen voor de bewijsweging. De BPM valt onder het Unierecht. Artikel 110 VWEU verbiedt een heffing op ingevoerde voertuigen die hoger is dan de restbelasting in gelijksoortige binnenlandse voertuigen (HvJ EU, C-437/12, r.o. 44; C-76/14, Manea). Het Hof van Justitie eist dat de aangever dat effectief kan bewijzen, en effectief betekent dat tegenbewijs niet op voorhand wordt overstemd door een waardebepaling van de inspecteur zelf. Daarbij komt artikel 47 van het Handvest: een eerlijk proces met gelijke wapens. Een rechter die het rapport van de heffende dienst zonder eigen inhoudelijke toetsing boven een onafhankelijk rapport stelt, geeft de aangever geen effectief tegenbewijsrecht.
De WOZ-analogie die het ministerie in 2013 klaarlegde, gaat hier niet op. Bij de WOZ beoordeelt de rechter de overtuigingskracht van een gemeentelijke taxatie binnen het nationale recht. Bij de BPM staat daarboven een Europese norm die de inspecteur bindt, en een controle-instrument dat volgens interne instructies afwijkt van de wettelijke methode voldoet niet aan die norm.
Voor de praktijk betekent dit:
- In bezwaar en beroep hoort de status van een DRZ-rapport aan de orde te komen: het is het standpunt van de inspecteur, geen deskundigenbericht.
- De methode van DRZ (gemiddelde referentievoertuigen met handelsmarge, fantoomvoertuigen van een ander merk) moet worden getoetst aan de wettelijke taxatiemethode en aan artikel 110 VWEU, niet andersom.
- De rechter dient zelfstandig te beoordelen welke waarde recht doet aan de Europese norm, in plaats van te kiezen tussen twee rapporten waarvan er één van de wederpartij is.
Een onafhankelijke taxateur die werkt volgens de wettelijke methode en zijn referenties ontleent aan daadwerkelijk in Nederland geregistreerde, gelijksoortige voertuigen, levert het bewijs dat artikel 110 VWEU verlangt. De Belastingdienst kan dat bewijs niet ontkrachten met een rapport van zichzelf.
Pilot Taxatie en de melding bij DG TAXUD
De Belastingdienst voert sinds 2026 de Pilot Taxatie (PTX) uit, een controleprogramma gericht op BPM-aangiften met een taxatierapport. Het programma is door de Belastingdienst voor het eerst genoemd in de bijlage bij de stand-van-zakenbrief aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 2026D40068). Wie de hertaxaties binnen PTX verricht, volgens welke instructies, en of daarbij een private partij wordt ingezet die resultaatafhankelijk wordt betaald, is niet openbaar.
Stichting ROTA heeft daarover op 1 september 2026 een Woo-verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Het convenant uit 2014 maakt dat verzoek urgenter: artikel 4 lid 3 bepaalt dat de afspraken met DRZ worden bijgesteld bij een aanpassing van de controlestrategie van de Belastingdienst. PTX is zo’n aanpassing. De vraag is dus of PTX draait op dezelfde constructie, met dezelfde instructies, of dat een nieuwe partij is ingeschakeld onder nieuwe voorwaarden.
De conclusie van de A-G en de stukken uit 2013 en 2014 worden voorgelegd aan de Europese Commissie, directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie (DG TAXUD), als aanvulling op twee lopende klachten: CPLT(2025)00483 van Gerd Schippers over de Nederlandse uitvoering van artikel 110 VWEU bij de BPM, en CPLT(2026)03280 van Stichting ROTA over de blokkade van de tenaamstelling bij aangiften met een taxatierapport. De kern van die aanvulling:
- De Nederlandse Staat heeft zelf vastgesteld dat de controle op taxatierapporten wordt uitgevoerd door een dienst die juridisch samenvalt met de heffende instantie.
- Die constructie is in 2013 gekozen om een rechterlijke toets te vermijden, met een vooraf bedachte verdedigingslijn voor de onafhankelijkheidsvraag.
- De interne instructies aan die dienst wijken af van de wettelijke taxatiemethode waaraan de aangever is gebonden.
- Met PTX wordt deze controle geïntensiveerd zonder dat de aangever weet wie hem controleert en op welke grondslag.
De vraag aan de Commissie is of een tegenbewijsregeling waarin de heffende instantie haar eigen controleur is, en de rechter dat rapport als deskundigenbericht weegt, voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie aan artikel 110 VWEU stelt.
Bronnen en vindplaatsen
| Bron | Vindplaats |
|---|---|
| Conclusie A-G Drijber, 23 oktober 2026, zaaknr. 25/03748 | ECLI:NL:PHR:2026:1011, gepubliceerd 29 oktober 2026 |
| Hof Den Haag, 15 juli 2025 | ECLI:NL:GHDHA:2025:2255, JAAN 2025/187 |
| Rechtbank Den Haag, 16 augustus 2023 | ECLI:NL:RBDHA:2023:12379, JAAN 2023/184 |
| Notitie aan de staatssecretaris, 20 november 2013, “Kort geding hertaxatie op 28 november 2013” | Woo-besluit MinFin 2023-0000124389, document 00007, p. 26-27 |
| Notitie BLKB 2014/823, 21 mei 2014 en 23 juli 2014, “Convenant Belastingen en Dienst Roerende Zaken” | Woo-besluit MinFin 2023-0000124389, document 00009, p. 28 en 33-35 |
| Convenant Belastingen en Dienst Roerende Zaken, 1 april 2014, met bijlage I | Wob/Woo-besluit Belastingdienst JAK 22/39, 20 mei 2022, bijlage 1; Woo-besluit 2023-0000124389, p. 29-32 (getekend) |
| Afsprakendocument BPM, versies 0.9 t/m 1.10 (2016-2022) | Wob/Woo-besluit Belastingdienst JAK 22/39, 20 mei 2022, bijlage 2 |
| Notitie Herinrichting hertaxatie, 13 februari 2014 | Woo-besluit MinFin 2023-0000124389, p. 46-50 |
| Pilot Taxatie (PTX) | Bijlage bij stand-van-zakenbrief Belastingdienst, Kamerstuk 2026D40068 |
| HvJ EU 19 december 2013, C-437/12 (X), r.o. 44; HvJ EU 14 april 2015, C-76/14 (Manea) | curia.europa.eu |
| EU-klachten bij DG TAXUD | CPLT(2025)00483 (Gerd Schippers) en CPLT(2026)03280 (Stichting ROTA) |
›Hof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2025:2255
›Rechtbank Den Haag ECLI:NL:RBDHA:2023:12379
›HvJ EU C-437/12 (X)
›HvJ EU C-76/14 (Manea)
De Wob- en Woo-besluiten zijn geanonimiseerd gepubliceerd door het Ministerie van Financiën. De aangehaalde passages zijn letterlijk overgenomen; de volledige documenten zijn op verzoek beschikbaar.
Eerder verschenen
Pilot PTX: Woo-verzoek over de Pilot Taxatie BPM
Eerder verschenen
ROTA stapt naar Brussel: klacht tegen Nederland
S-TAX Auto-Taxaties
Deurnestraat 15, 6843 PM Arnhem
[email protected] · 06 5435 0254 · www.s-tax.nl
S-TAX blijft als onafhankelijk taxatiebureau buiten bezwaar- en beroepsprocedures. Het Woo-verzoek en de klacht CPLT(2026)03280 zijn een zelfstandig initiatief van Stichting ROTA; de klacht CPLT(2025)00483 is ingediend door Gerd Schippers op persoonlijke titel.
Zelf uw BPM berekenen of een taxatie aanvragen?
Bereken gratis uw rest-BPM met onze calculator, of vraag direct een BPM-taxatie aan bij een taxateur met ROTA en VTC 16002. Rapport binnen 24 uur, juridisch verdedigbaar.

Geen kenteken, geen beschikking, geen rechter: ROTA opent kentekenstop.nl
Stichting ROTA opent kentekenstop.nl, een meldpunt en stilstandteller voor auto's die vaststaan na een brief onjuiste aangifte bpm. Anoniem melden kan, met de brief...
Lees het artikel
BOVAG klaagt over een handhaving die het zelf jarenlang vroeg
BOVAG klaagt over de plotse, intensieve controle op BPM-taxaties. Uit Woo-stukken blijkt dat BOVAG al sinds 2013 om strengere controle vraagt, gastheer is van...
Lees het artikel
Wie beslist er eigenlijk dat uw bpm-aangifte “onjuist” is?
Wie een auto importeert en de bpm laat berekenen op basis van een taxatierapport, kan een bericht krijgen dat de aangifte "onjuist" is. Er...
Lees het artikelPlan de opname van uw volgende partij.
Gerd Schippers is uw vaste contactpersoon. Bel, chat of app, en wij plannen de opname in.