
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft op 14 april 2026 besloten op de klacht die ROTA in mei 2025 indiende over het algoritme “BPM-Wegenrisico’s” van de Belastingdienst. De AP bevestigt op basis van eigen onderzoek dat de Belastingdienst voor minder dan 10 % van haar meer dan 100 selectie-instrumenten een verplichte DPIA heeft uitgevoerd. Toch besluit de AP de klacht niet individueel te onderzoeken en geen handhavingsmaatregelen te nemen. ROTA gaat binnen de wettelijke termijn van zes weken in bezwaar.
Dit is een vervolg op het oorspronkelijke nieuwsbericht waarmee ROTA in 2025 de klacht aankondigde. Daarin staan de aanleiding, de juridische gronden en de oorspronkelijke onderbouwing.
Wat de AP wel vaststelt en wat zij vervolgens niet doet
Op 4 mei 2025 diende ROTA een klacht in bij de AP over het gebruik door de Belastingdienst van het algoritme “BPM-Wegenrisico’s” in het BPM Parallelimport-proces. Centraal stond dat voor dit algoritme geen Data Protection Impact Assessment (DPIA) is uitgevoerd, en dat geen sprake is van betekenisvolle menselijke tussenkomst zoals artikel 22 AVG vereist.
In haar besluit (kenmerk 2025-014398) bevestigt de AP dat:
- de Belastingdienst voor het overgrote deel van haar meer dan 100 selectie-instrumenten geen DPIA heeft uitgevoerd;
- bij dit type geautomatiseerde risicoselectie en profilering een DPIA in beginsel verplicht is.
Vervolgens besluit de AP niet te handhaven. De klacht wordt slechts “als signaal” meegenomen in een verbetertraject van de Belastingdienst dat tot ver na 2026 doorloopt. Het algoritme BPM-Wegenrisico’s blijft intussen ongewijzigd in werking.
Gevolgen voor BPM-importeurs en lopende naheffingen
Dit roept een fundamentele vraag op over de rechtmatigheid van naheffingsaanslagen die mede tot stand zijn gekomen na uitworp door dit algoritme.
Een naheffing die voortvloeit uit een controle waarvan de selectie berust op een instrument dat zonder de wettelijk verplichte DPIA in gebruik is genomen, en waarbij niet aantoonbaar sprake is van betekenisvolle menselijke tussenkomst, staat juridisch op losse schroeven. ROTA acht het zeer wel verdedigbaar dat een aanzienlijk deel van deze naheffingen, op grond van strijd met de AVG en met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet in stand kan blijven. Ondernemers en particulieren die op basis van een dergelijke uitworp een naheffing hebben ontvangen, doen er goed aan deze opnieuw te (laten) beoordelen.
ROTA zal in haar bezwaarschrift en in vervolgprocedures aandacht vragen voor deze categorie aanslagen.
Het algoritme kijkt eenzijdig en negeert het EU-recht
Even ernstig is dat het algoritme BPM-Wegenrisico’s blijkens de openbare beschrijving in het algoritmeregister uitsluitend toetst aan de criteria die de Belastingdienst zelf voor “risicovolle” aangiften hanteert. Het toetst niet of de gekozen waarderingsmethode voor de belastingplichtige het meest gunstig is, en het houdt geen rekening met het Unierechtelijke kader waarin BPM-heffing op importauto’s plaatsvindt.
Dit is in juridisch opzicht problematisch. De Hoge Raad heeft in HR 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2) geoordeeld dat de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag uit eigen beweging het voor de belastingplichtige meest gunstige tarief of de meest gunstige heffingsmaatstaf moet toepassen, voor zover de hem ter beschikking staande gegevens dat toelaten. Dit volgt uit artikel 10b lid 1 Wet BPM, gelezen in samenhang met artikel 110 VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013 (X-arrest, C-437/12). Een geautomatiseerd selectie-instrument dat structureel alleen toetst vanuit het belang van de heffing, en niet vanuit deze waarborg, miskent zowel deze nationale jurisprudentie als het EU-rechtelijke discriminatieverbod en het beginsel van vrij verkeer van goederen.
Waarom ROTA in bezwaar gaat
ROTA meent dat het besluit op meerdere onderdelen onhoudbaar is:
- de AP heeft op grond van de artikelen 57 en 58 AVG een handhavingstaak; bevestigd grootschalig DPIA-verzuim rechtvaardigt handhavend optreden, niet enkel een traject dat zich uitstrekt tot ver na 2026;
- artikel 77 AVG geeft elke betrokkene recht op individuele klachtbehandeling; verwijzing naar een collectief verbetertraject vormt daarvoor geen substituut;
- de aanname dat de handmatige controle na algoritmische uitworp kwalificeert als betekenisvolle menselijke tussenkomst is door de AP niet onderzocht of onderbouwd;
- de gekozen tijdspanne is onevenredig: betrokkenen blijven jaren onbeschermd terwijl het verzuim erkend is;
- de AP gaat in haar besluit niet in op de Unierechtelijke dimensie van een algoritme dat structureel slechts een kant van de wettelijke werkelijkheid toetst.
ROTA dient binnen zes weken na het besluit een gemotiveerd bezwaarschrift in en zal de uitkomst publiekelijk delen. Parallel wordt overwogen om bij de Nationale Ombudsman een klacht in te dienen over de wijze waarop de AP haar klachtbehandeling heeft ingevuld. Ook is de Europese Commissie via een lopende klacht (CPLT(2025)00483) inmiddels op de hoogte gesteld van het AP-besluit als nadere onderbouwing van de structurele aard van het probleem.
Voor importeurs en taxateurs
Wie als importeur of (mede-)belastingplichtige in het verleden een naheffing heeft ontvangen waarvan aannemelijk is dat de selectie via dit algoritme heeft plaatsgevonden, of wie nu wordt geconfronteerd met een uitworp uit dit proces, kan contact opnemen met ROTA of met een aangesloten taxateur voor een inhoudelijke beoordeling van de positie.
