Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 18 december 2025 in de zaak C-448/23 een uitspraak gedaan die ver buiten Polen reikt. In dit arrest maakt het Hof één ding onmiskenbaar duidelijk: nationale autoriteiten – inclusief rechters en uitvoeringsinstanties – mogen het Unierecht niet relativeren, filteren of neutraliseren via nationale doctrines, constitutionele interpretaties of uitvoeringspraktijken
Hoewel de zaak formeel ziet op de Poolse rechtsstaat, is de boodschap algemeen en direct toepasbaar binnen alle lidstaten, inclusief Nederland.
Wat het Hof vaststelt
Het Hof oordeelt dat Polen zijn verplichtingen uit onder meer:
artikel 2 VEU (rechtsstaat),
artikel 4 lid 3 VEU (loyale samenwerking),
artikel 19 lid 1 VEU (effectieve rechterlijke bescherming),
structureel heeft geschonden door nationale organen toe te staan EU-recht buiten toepassing te verklaren of als ultra vires te bestempelen.
Cruciaal is dat het Hof expliciet bevestigt:
het primaat van EU-recht is absoluut;
ook nationale grondwetten en constitutionele hoven kunnen dat primaat niet relativeren;
nationale autoriteiten zijn verplicht EU-recht volledig en effectief toe te passen, zonder voorafgaande toestemming van wetgever of constitutioneel hof.
Geen ruimte voor “nationale uitzonderingen”
Een belangrijk onderdeel van het arrest is de afwijzing van het argument “constitutionele identiteit” als rechtvaardiging om EU-recht te beperken. Het Hof maakt duidelijk dat artikel 4 lid 2 VEU geen ontsnappingsclausule is om de werking van het Unierecht te blokkeren.
Wie EU-recht toepast, past het volledig toe – of niet.
Waarom dit arrest ook Nederland raakt
C-448/23 is geen abstract rechtsstatelijk debat. Het arrest raakt direct aan nationale uitvoeringspraktijken waarin EU-recht:
formeel wordt erkend,
maar materieel wordt ingeperkt door vaste interpretaties, beleidsregels of “zo-doen-wij-dat-hier”-redeneringen.
Het Hof benadrukt dat dergelijke praktijken onverenigbaar zijn met:
de uniforme toepassing van EU-recht;
de effectiviteit ervan;
en het recht van burgers op daadwerkelijke bescherming van hun Unierechten.
Betekenis voor de fiscale praktijk (waaronder BPM)
Voor terreinen waarop het Unierecht directe werking heeft – zoals artikel 110 VWEU – betekent dit arrest dat:
nationale uitvoeringspraktijken geen extra drempels mogen opwerpen;
rechters en bestuursorganen niet selectief mogen toetsen;
EU-recht niet mag worden “ingepast” in nationale systemen als dat de werking ervan aantast.
Het Hof bevestigt dat ieder systeem dat EU-recht slechts conditioneel toepast, per definitie onrechtmatig is.
Beperkte maar relevante context: nationale jurisprudentie
In de Nederlandse context wordt regelmatig verwezen naar nationale arresten om de reikwijdte van EU-recht te begrenzen. Het arrest C-448/23 maakt duidelijk dat dergelijke jurisprudentie nooit kan dienen om de werking van rechtstreeks toepasselijk Unierecht te beperken.
Nationale rechtspraak kan richting geven aan de toepassing van nationaal recht,
maar niet aan de gelding van EU-recht zelf.
Conclusie
Met C-448/23 zet het Hof van Justitie een heldere grens:
EU-recht is geen optie, geen beleidskeuze en geen interpretatiekader het is bindend recht dat volledig moet worden toegepast.
Voor lidstaten die EU-recht slechts “onder voorwaarden” respecteren, is dit arrest een duidelijke waarschuwing.
Voor burgers en professionals die zich beroepen op Unierecht, is het een bevestiging dat effectieve bescherming geen gunst is, maar een recht.
BRON: Joost Verhoeven
Vertaling uitspraak: Joost Verhoeven