De Belastingdienst blijft vasthouden aan een interne “Behandelinstructie Naheffen”, waarin wordt gesteld dat “herleiding” niet is toegestaan bij de BPM-vaststelling. In de praktijk wordt dit gebruikt om élke vergelijking met soortgelijke reeds in Nederland geregistreerde voertuigen af te wijzen.
Dat is niet alleen juridisch onhoudbaar: het botst direct met artikel 110 VWEU, het X-arrest, de kan-bepaling, recente Hoge Raad-uitspraken, én meerdere rechtbankuitspraken, waaronder een zeer belangrijke uit 2025 waarin een auto wél als gelijksoortig is aangemerkt.
Kernprobleem: Onjuiste interpretatie behandelinstructie
De Behandelinstructie Naheffen 0010 van de Belastingdienst bevat een passage die stelt dat “herleiding” niet kan worden gebruikt bij de vaststelling van BPM. Deze instructie wordt in de praktijk echter breed geïnterpreteerd en misbruikt om elke vorm van vergelijking met soortgelijke, reeds in Nederland geregistreerde voertuigen af te wijzen. Dit staat lijnrecht tegenover wat het Europese recht en recente Nederlandse jurisprudentie voorschrijft.
Wie bij invoer een correct taxatierapport overlegt op basis van artikel 110 VWEU, staat daarom juridisch sterk. De huidige behandelinstructie is misleidend, Europeesrechtelijk onjuist en werkt in de praktijk discriminerend.
🔍 Artikel 110 VWEU: kernregel tegen fiscale discriminatie
Artikel 110 VWEU bepaalt dat ingevoerde voertuigen nooit zwaarder belast mogen worden dan vergelijkbare binnenlandse voertuigen.
Dat betekent twee dingen:
- U mag vergelijkbare voertuigen op de Nederlandse markt aanvoeren
- De inspecteur moet de laagste rest-BPM van die vergelijkingsgroep toepassen
Het Hof van Justitie EU heeft dit keihard bevestigd in het X-arrest (C-437/12):
“Discriminatie wordt alleen voorkomen als wordt gekozen voor het laagste restbedrag BPM in een vergelijkbaar Nederlands voertuig.”
Daarmee staat vast:
Vergelijken met soortgelijke voertuigen is geen optie – het is een juridisch vereiste.
🧭 Nederlandse rechtspraak: vergelijking mag én moet
🔸Land Rover Defender uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2022:1963)
Het hof oordeelde dat een Land Rover Defender met hogere WLTP-uitstoot tóch vergeleken mag worden met in Nederland geregistreerde Defenders met lagere NEDC-uitstoot.
Waarom? Omdat anders artikel 110 VWEU wordt geschonden.
🔥 Nieuwe versterking: Rechtbank Noord-Nederland 2025 bevestigt vergelijking (ECLI:NL:RBNNE:2025:1977)
In deze omvangrijke uitspraak beoordeelde de rechtbank of referentievoertuigen – ingevoerd in dezelfde periode – gelijksoortig waren op basis van het toetsingskader van essentiële punten uit Richtlijn 2007/46/EG.
Voor één van de voertuigen (auto 4) kwam de rechtbank tot een glasheldere conclusie:
Eén referentievoertuig is op alle essentiële punten identiek → dus gelijksoortig → dus artikel 110 VWEU verplicht tot correctie → dus is te veel BPM voldaan.
Dit is explosief belangrijk, want:
- De Belastingdienst beweert dat vergelijking “niet kan” → de rechtbank zegt: wél
- 1 werkelijk geregistreerde auto die gelijksoortig is: genoeg om de naheffing onderuit te halen
- 110 VWEU moet worden toegepast, zelfs als de Belastingdienst dat onhandig vindt
Oftewel:
De Belastingdienst kan de vergelijking juridisch niet verbieden. De rechtbank past hem gewoon toe.
⚖️ Kan-bepaling: inspecteur heeft géén keuze
De Hoge Raad besliste op 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:440) dat artikel 10b Wet BPM géén vrijblijvende keuze is. De inspecteur moet:
- ambtshalve
- altijd
- de laagste, meest gunstige berekeningswijze toepassen
Doet hij dit niet, dan handelt hij in strijd met artikel 110 VWEU.
De inspecteur kan dus niet zeggen: “Wij passen de tabel toe want dat is ons beleid.”
Beleid wijkt als het discrimineert.
🏛️ HR 2024: Wet BPM moet wijken bij discriminatie
Op 2 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:147) oordeelde de Hoge Raad:
Bij aangetoonde fiscale discriminatie blijft de Wet BPM buiten toepassing.
Artikel 110 VWEU gaat boven nationale wetgeving.
Dit is een mokerslag voor de huidige behandelinstructie Naheffen.
🚫 Misverstand: herleiding is verboden, maar vergelijking niet
De Hoge Raad heeft de herleidingsmethode (rekentruc met fictieve historische BPM) verboden.
Maar dat betekent niet dat marktvergelijking verboden is.
Wat niet mag | Wat wél mag |
Fictieve herleiding uit historische BPM | Vergelijking met daadwerkelijk geregistreerde voertuigen |
Rekenmodel zonder marktwaarde | Objectieve marktgegevens |
Kunstmatig BPM-bedrag | Laagste werkelijke rest-BPM |
Artikel 110 VWEU vereist juist dat de inspecteur kijkt naar feitelijke referentieauto’s.
🛠️ Wat mag en moet een taxateur doen?
Een erkende taxateur mag en moet:
- Soortgelijke voertuigen identificeren (EU-typegoedkeuring, motor, uitvoering, leeftijd, km-stand)
- Objectieve RDW-data verzamelen (koerslijsten, VIN, marktwaarden)
- Aantonen dat de importauto anders zwaarder wordt belast
- Artikel 110 VWEU expliciet inroepen
Een correct rapport verplicht de inspecteur tot toepassing van de gunstigste heffing.
📌 Praktische tips voor importeurs
In bezwaar / beroep:
- Roep artikel 110 VWEU in
- Verwijs naar:
- HR 2024:147
- HR 2023:440 (kan-bepaling)
- Hof GHARL 2022:1963
- Rb. Noord-Nederland 2025:1977 (vergelijking slaagt!)
In taxatierapport:
- Werk met feiten, niet theorie
- Toon uw referentievoertuigen
- Reken de voordelen uit
- Bewijs het lager rest-BPM-niveau
Tegenover de Belastingdienst:
- De behandelinstructie is geen wet
- EU-recht gaat altijd voor
- Inspecteur is ambtshalve verplicht tot de gunstigste uitkomst
🧨 Conclusie: laat u niet misleiden — het recht staat aan uw zijde
De behandelinstructie naheffen is in de praktijk onjuist, misleidend en discriminerend.
De rechtspraak is glashelder:
- EU-recht vereist vergelijking
- Inspecteur heeft geen keuze
- Vergelijkbare auto = directe BPM-verlaging
- De rechtbank past deze vergelijking 2025 opnieuw toe
- De Wet BPM moet wijken bij discriminatie
Laat u niet intimideren door beleid. Artikel 110 VWEU is sterker dan elke interne instructie.
Onze BPM-jurist: automotive-specialist en expert in Artikel 110 VWEU
BPM-zaken draaien allang niet meer alleen om belastingrecht — je hebt iemand nodig die zowel de automotive-praktijk begrijpt als de Europese rechtskaders. Daarom werken wij met een BPM-jurist met jarenlange ervaring in voertuigwaardering, WLTP/NEDC-kwesties, typegoedkeuringen en procedures waarin artikel 110 VWEU een centrale rol speelt.
Onze jurist:
begrijpt de technische en fiscale aspecten van voertuigen;
is volledig thuis in de Europese en nationale rechtspraak;
weet hoe rechtbanken vaststellen of voertuigen gelijksoortig zijn;
en kan helder uitleggen waarom bepaalde vergelijkingen wel of niet voldoen aan het toetsingskader van artikel 110 VWEU.
In de praktijk ziet hij regelmatig dat in naheffingen wordt gesteld dat ‘herleiding niet mag’, terwijl artikel 110 VWEU juist ruimte laat om daadwerkelijk geregistreerde referentievoertuigen te betrekken wanneer dat nodig is om fiscale discriminatie te beoordelen.
In dergelijke situaties kan hij duidelijk maken hoe de relevante rechtspraak moet worden gelezen en welke onderdelen opnieuw beoordeeld moeten worden.
Dat leidt er in veel dossiers toe dat naheffingen opnieuw moeten worden bekeken door de inspecteur, waarbij soms blijkt dat een correctie of aanpassing nodig is vanwege de verplichting om de voor de belastingplichtige meest gunstige heffingsmaatstaf toe te passen.