
In de markt circuleert opnieuw een waarschuwing aan autobedrijven: pas op met de “herleidingsmethode”, want die is door de Hoge Raad afgekeurd. Op zich klopt dat, maar de boodschap eindigt precies op het verkeerde moment. Want wat de afzenders er niet bij vertellen, is dat de alternatieven die zij impliciet aanbevelen, koerslijst-only en schade afschrijven op 100% of 72%, exact de rapporten zijn die de Belastingdienst nu massaal naheft en hertaxeert. De echte bescherming tegen te veel BPM heffen heet artikel 110 VWEU. Niets anders.
In een minuut
Wat is het nieuws?
Een concurrerende taxateur stuurt autobedrijven een waarschuwing rond dat de “herleidingsmethode” door de Hoge Raad is afgekeurd, en biedt zichzelf aan voor een vervolggesprek. De boodschap suggereert dat koerslijst-only of schade afschrijven op 100% of 72% van de koerslijstwaarde een veiliger alternatief is. Dat is feitelijk onjuist en commercieel gemotiveerd.
Waarom is dit belangrijk?
De afgekeurde herleiding (fictieve historische herrekening) wordt op een hoop gegooid met de art. 110 VWEU-vergelijking met daadwerkelijk geregistreerde Nederlandse voertuigen. Dat zijn twee compleet verschillende methodes. De eerste is verboden, de tweede is door het EU-recht juist verplicht. Wie het advies opvolgt en overstapt op koerslijst-only of standaard schade-aftrek, ruilt een methodologisch zwak rapport in voor een methodologisch nog zwakker rapport en wordt straks zonder verdediging nageheven.
Wat nu?
Een verdedigbaar rapport bevat een gelijksoortigheidstoets op de essentiele punten van Richtlijn 2007/46/EG, daadwerkelijke referentievoertuigen uit het RDW-kentekenregister, een berekening van het laagste rest-BPM in de referentiegroep en een schadecalculatie per onderdeel (RNCS, Audatex of SilverDAT) in plaats van een platte percentage-aftrek. Twijfelt u? Laat het rapport toetsen voordat het in de aangifte verdwijnt, niet erna.
Wie dit verspreidt, en waarom
De waarschuwing waar dit bericht op reageert komt niet van een toezichthouder, niet van een brancheorganisatie en niet van een onafhankelijke deskundige. Het komt van een concurrerende taxateur die deze tekst rondstuurt aan autobedrijven met het verzoek “een keer langs te mogen komen om uit te leggen waar de fout in zit”.
Het patroon is herkenbaar: andere taxateurs zwartmaken onder de valse vlag van een collegiale waarschuwing, in de hoop zelf het volgende klusje binnen te halen. De zin “ik zeg dit niet om jullie als klant binnen te halen”, letterlijk uit het bericht, is precies de openingszet van iemand die exact dat wel doet. Bangmaken als acquisitiekanaal, met de fiscus als drukmiddel.
Twee dingen zijn er mis mee:
- De inhoud klopt niet. Het bericht gooit “herleiding” en “vergelijking onder art. 110 VWEU” op een hoop en suggereert dat 220 rechtbankuitspraken alle vormen van vergelijking afkeuren. Dat is feitelijk onjuist. Die uitspraken gaan over fictieve historische herrekening, niet over de art. 110-vergelijking met daadwerkelijk geregistreerde voertuigen die het EU-recht juist verplicht stelt.
- Het advies stuurt u naar het echte risico. Wie “herleiding” laat vallen en overstapt op koerslijst-only of standaard schade-aftrek op 100% of 72%, ruilt een methodologisch zwak rapport in voor een methodologisch nog zwakker rapport en wordt straks alsnog nageheven, maar dan zonder enige verdediging.
Een waarschuwing die u richting de zwakste rapportstructuur duwt en die afkomstig is van iemand die zichzelf vervolgens aanbiedt om “uit te leggen waar de fout zit”, is geen waarschuwing. Dat is verkoop verpakt als zorg.
Verwarring tussen twee totaal verschillende dingen
De hele discussie wordt vertroebeld omdat een term, “herleiding”, voor twee compleet verschillende methodes wordt gebruikt:
| Wat de Hoge Raad heeft afgekeurd | Wat het EU-recht juist verplicht |
|---|---|
| Fictieve herrekening uit historische BPM zonder marktbasis | Vergelijking met daadwerkelijk geregistreerde Nederlandse voertuigen |
| Rekenmodel zonder gelijksoortigheidstoets | Toetsing op essentiele punten (Richtlijn 2007/46/EG) |
| Kunstmatig BPM-bedrag op aangifte | Aantoonbaar laagste rest-BPM in de referentiegroep |
220 uitspraken op rechtspraak.nl gaan over de eerste kolom. Geen ervan verbiedt de tweede.
Wat artikel 110 VWEU werkelijk doet
Art. 110 VWEU verbiedt dat een ingevoerd voertuig zwaarder wordt belast dan een vergelijkbaar voertuig dat al in Nederland staat. Het Hof van Justitie heeft dat in C-437/12 (X-arrest) keihard bevestigd: de inspecteur is verplicht het laagste rest-BPM-bedrag in de vergelijkingsgroep toe te passen.
De Hoge Raad heeft dit doorgetrokken:
- HR 24-03-2023 (ECLI:NL:HR:2023:440): de “kan-bepaling” van art. 10b Wet BPM is geen keuze. De inspecteur moet ambtshalve de gunstigste heffingsmaatstaf toepassen.
- HR 02-02-2024 (ECLI:NL:HR:2024:147): bij discriminatie blijft de Wet BPM buiten toepassing. EU-recht gaat boven nationaal beleid.
En in 2025 ging de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2025:1977) verder: een daadwerkelijk geregistreerd referentievoertuig dat op alle essentiele punten gelijksoortig is, is genoeg om de naheffing onderuit te halen. Sinds ABRvS 18-03-2026 (1320/1321/1322) geldt het RDW-kentekenregister bovendien als volwaardig bewijs voor CO2-verificatie en gelijksoortigheid.
Waarom koerslijst en schade-aftrek (100% of 72%) u juist exposureren
Wie vertrouwt op de methodes die nu als “veilig alternatief” worden aangeprezen, loopt het grootste risico:
Koerslijst-only zonder gelijksoortigheidstoets
- Een koerslijst is een statistisch gemiddelde, geen onderbouwing. De inspecteur kan probleemloos een andere koerslijst pakken (XRAY waar u AutoTelex gebruikte, of omgekeerd) en herrekenen.
- Bij beroep zoekt de rechter naar vergelijking met feitelijk geregistreerde voertuigen op essentiele punten (Richtlijn 2007/46/EG). Een koerslijst levert die toets niet.
- Resultaat: koerslijst sneuvelt, DET-tabel wordt opgelegd, klant betaalt bij.
Schade afschrijven op 100% of 72% van de koerslijstwaarde
- Dit is een rekenkundige methode: handelsinkoopwaarde uit een koerslijst, daar 100% (volledig) of 72% (gedempt) van de schadecalculatie van aftrekken. Het is geen onderbouwing van waardevermindering, het is een formule.
- Het 72%-percentage stamt uit de verhouding handelsinkoop/taxatiewaarde en wordt gepresenteerd als “veilig”, maar mist elke koppeling aan het wettelijke kader: er is geen gelijksoortigheidstoets, geen referentievoertuig, geen art. 110-vergelijking.
- De Belastingdienst hertaxeert dit standaard. Argumenten die altijd terugkomen: “schade is bedrijfsmatig herstelbaar tegen lagere kosten”, “herstel niet aangetoond”, “geen waardedrukkend effect aangetoond na herstel”, “calculatie niet specifiek genoeg”. Een van die vier en de aftrek staat op nul.
- Bij beroep zoekt de rechter naar vergelijking met feitelijk geregistreerde voertuigen op essentiele punten (Richtlijn 2007/46/EG). Een koerslijst plus percentageaftrek levert die toets niet, hoe netjes het percentage ook is.
- Resultaat: koerslijst gepasseerd, schade-aftrek op nul of fors verlaagd, DET-tabel opgelegd, naheffing plus heffingsrente plus vaak boete.
De combinatie koerslijst plus 100%/72%-schade is geen taxatie, het is een aangifte-instrument
- Een rapport zonder gelijksoortigheidstoets en zonder onderbouwing van het laagste rest-BPM is in een procedure niets waard. Het levert exact zoveel verdediging op als de aangifte zelf, namelijk: nul.
- Zodra de inspecteur een ander koerslijstmoment, een andere uitvoeringsvariant of een lagere schadewaardering inbrengt, is er geen tegenargument. De rapportstructuur biedt geen aanknopingspunt om terug te vechten.
Wat een verdedigbaar rapport in 2026 minimaal bevat
- Gelijksoortigheidstoets op de essentiele punten van Richtlijn 2007/46/EG: typegoedkeuring, motoruitvoering, brandstof, CO2 (NEDC en WLTP), uitrusting, leeftijd, kilometerstand.
- Daadwerkelijke referentievoertuigen uit het RDW-kentekenregister, geen abstracties, geen fictie, geen “vergelijkbare uitvoering volgens koerslijst”.
- Berekening van het laagste rest-BPM in de referentiegroep volgens H.B. = bruto nieuw x (taxatiewaarde / catalogusprijs), met expliciete vergelijking tegen het laagst voorkomende rest-BPM-niveau.
- Schadecalculatie per onderdeel met arbeidsuren en onderdeelprijzen (RNCS, Audatex of SilverDAT), niet een platte percentage-aftrek van 100% of 72%.
- Expliciet beroep op art. 110 VWEU en de relevante jurisprudentie: HvJ C-437/12, HR 2023:440, HR 2024:147, GHARL 2022:1963, RBNNE 2025:1977, ABRvS 2026:1320/1321/1322.
Wie dit niet levert, levert geen rapport. Die levert een naheffing in de wachtkamer.
De kern
Iedereen die u waarschuwt voor “herleiding” zonder uit te leggen dat artikel 110 VWEU u juist verplicht recht geeft op vergelijking, vertelt het halve verhaal. En als die “iedereen” tegelijkertijd zelf op de stoep staat met een visitekaartje, vertelt hij niet alleen het halve verhaal, maar ook het verkeerde verhaal, met een commercieel doel.
Het halve verhaal kost u geld. Niet aan de Belastingdienst aan de voorkant, maar aan de naheffing achteraf.
De echte vraag voor uw autobedrijf is niet of uw taxateur “herleidt”, maar of uw rapport de toets van art. 110 VWEU doorstaat. Onderbouwde marktvergelijking met geregistreerde Nederlandse voertuigen is geen risico, het is de enige juridisch houdbare verdediging.
Laat het toetsen voordat het in de aangifte verdwijnt, niet erna. En toets vooral wie de toetser is.
Gerd Schippers, S-TAX Auto-Taxaties, ROTA-gecertificeerd register-taxateur (16002), VTC. 17+ jaar BPM-praktijk. s-tax.nl/artikel-110-vweu · autodataport.nl
